Ik vraag om vrede voor Jeruzalem: ‘Dat rust hebben wie van je houden, dat vrede heerst binnen je muren en rust in je vesting.’(1)
Al je kinderen zullen leerlingen zijn van de HEER, rust en vrede zal hun ten deel vallen; gerechtigheid zal je fundament zijn. Je zult niets meer te vrezen hebben: onderdrukking zal je niet bereiken, terreur blijft ver bij je vandaan. Word je toch aangevallen, het komt niet van Mij. Valt iemand je aan? Het wordt zijn eigen val.(2)
Wie aan Mijn volk komt,komt aan Mijn oogappel, zegt de Heer.(3)
Je Koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Hij zal vrede stichten tussen de volken.(4)
Want een Kind wordt geboren, een Zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem Wonder van Beleid, Goddelijke Held, Vader voor Eeuwig, Vredevorst. Groot is de macht en eindeloos de vrede voor de troon van David, voor zijn koninkrijk.(5)
Vrede over Israël!(6)
- Ps. 122:6-7 (NBV)
- Jes. 54:13-15 (NBV)
- Zach. 2:12b (NBV)
- Zach. 9:9b & 10b (NBV)
- Jes. 9:5-6a (WV)
- Ps. 125:5b